Het Taallab            uitdagende taalactiviteiten voor basisonderwijs

uitdagendetaalactiviteiten voor basisonderwijs

Onderzoek doen

Iets onderzoeken doe je waarschijnlijk vooral om je nieuwsgierigheid te bevredigen. Daardoor doe je dat vaak in een min of meer vaste, logische volgorde. Dat doe je dan wel als een cyclische activiteit, omdat je je steeds weer uitgedaagd voelt om nog een stapje verder te gaan. Herhaling en uitbreiding van je onderzoeksactiviteiten leiden dan tot 'voortschrijdend inzicht'. Zo leidt het ene onderzoek daardoor dikwijls vanzelf weer tot een volgend onderzoek. 

De stappen die leerlingen (kunnen) benutten bij hun onderzoek naar taalverschijnselen en taalgebruik kun je tijdens je observaties onderscheiden in de volgende aspecten. 
Het is zeker niet bedoeld als individuele activiteit. Juist door samen te werken met een of twee anderen, ontstaat er meer diepgang en een grotere variatie aan ideeën. Voorwaarde is wel dat de kinderen in zo'n groepje zich veilig voelen en niet bang zijn voor nieuwe of onbekende dingen. Onderzoek doen hoort bij een growth mindset!

Problematiseren

Als je een leerling even stil laat staan bij iets, dat op het eerste gezicht (of gehoor) niets bijzonders lijkt, en zich daarin dan even  te laten verdiepen,  kan blijken dat zo'n aspect toch  opmerkelijk, uitdagend of vermakelijk is.
Door dan een argeloze vraag te stellen, of door iets meer van de achtergrond te vertellen of te laten lezen, verdwijnt al snel dat imago van ‘gewoon’.  
Dit effect veroorzaken noemen we 'problematiseren', letterlijk: er een probleem van maken. Onderzoekers zijn immers dol op problemen, want die stimuleren tot nadenken en het bedenken van nieuwe ideeën voor een oplossing.
Dit moeten de leerlingen ook als prettig gaan ervaren, want dat brengt hen in de lerende stand.

Oriënteren

Een korte introductie geven of zelf een eerste indruk laten opdoen, eens laten nagaan wat het is of juist niet is, of eens laten bedenken wanneer mensen bepaalde woorden of deze uitdrukking zullen gebruiken, zijn allemaal voorbeelden van die belangrijke startfase 'oriënteren'.
Hiermee kunnen leerlingen een eerste indruk krijgen van het probleem, het onderwerp wat verder in kaart brengen en ook afbakenen wat er nog wel en wat niet meer erbij hoort.

Onderzoeken

Systematisch nagaan wat er aan de hand is, wat het effect kan zijn, wat er het meest gebruikt wordt, welke varianten er mogelijk zijn of in welke situaties men een bepaalde taaluiting gebruikt zijn voorbeelden van onderzoek. Essentieel is de planmatigheid, want de onderzoeker moet juist het toeval proberen uit te sluiten.
Ook een onderzoek door leerlingen begint daarom met een hypothese. Op basis van wat ze zelf weten, of van wat ze hebben gevonden in bronnen, hebben ze al een beeld van wat ze kunnen tegenkomen of welk effect ze kunnen verwachten. Het doel van het onderzoek is dan om na te gaan of die voorspelling ('hypothese') klopt of niet. 
Daarbij is het gericht zijn op valide conclusies (d.w.z. conclusies die echt gaan over de vraag waarmee ze begonnen) belangrijk: wat weten ze nu, als ze dit onderzoek hebben uitgevoerd? Kunnen ze hiermee inderdaad een conclusie trekken of blijven er dan nog allerlei andere oorzaken of gevolgen mogelijk?

Opzoeken

Veel vragen waarmee leerlingen starten, blijken dikwijls opzoekvragen en geen onderzoekbare vragen. De antwoorden staan al ergens, iemand anders heeft het al uitgezocht of uitgeprobeerd. Nu is het een kwestie van terugvinden. Soms is het juist goed om bepaalde begrippen of afspraken eerst eens op te zoeken. Daarmee verzamelen leerlingen informatie die ze nodig hebben om daarna hun onderzoek goed op te zetten.
Vragen die beginnen met ‘Wat is…?’ ‘Wanneer was ..?’ of ‘Hoe heet…?’ zijn meestal opzoekvragen, want het zijn heel gesloten vragen, waarvan het antwoord al vast staat. Onderzoeksvragen of liever: onderzoekbare vragen, zijn juist meestal open, doordat vooraf het antwoord nog niet bekend is, of doordat er meer antwoorden mogelijk zijn.
Dit is een belangrijk aandachtspunt, doordat methoden en digitale oefenprogramma's vrijwel altijd met gesloten vragen werken, waarvan de antwoorden al in het systeem verwerkt zijn. Dat stimuleert juist niet die onderzoekende houding.
Wie gewend is met zulke methoden te werken, zal zich al gauw onzeker voelen bij open vragen en meerdere oplossings-mogelijkheden. Dat vraagt om duidelijkheid over de consequenties van zulke activiteiten.

Uitproberen

Soms weten leerlingen dat iets kan en zelfs hoe, of hebben ze ontdekt dat er een bepaald effect door ontstaat. De volgende vraag is dan nog of zij dat zelf ook kunnen. Daar komen ze alleen achter als ze het gaan doen, voorzichtig en aarzelend, maar toch. Zij doen het dan wel zelf! Uitproberen kan zo onderdeel zijn van een onderzoek, maar ook direct volgen op een onderzoek. In dit laatste geval proberen ze dan uit wat ze met hun conclusies hebben vastgesteld.

Eigen maken

Als ze hebben ontdekt dat ze in principe iets kunnen, ze weten hoe het werkt en waarop zij moet letten, dan kunnen ze vervolgens ook gaan zorgen dat het routine wordt. Dit is een kwestie van vaak doen en leren van hun ervaringen. Niet elk onderwerp leent zich natuurlijk voor toevoeging aan de eigen vaardigheid

Presenteren

Anderen deelgenoot maken van wat ze hebben ontdekt, wat ze hebben bedacht en wat ze hebben geleerd daarvan, komt eerst al aan de orde binnen het eigen onderzoeksgroepje. Het naar elkaar verwoorden en elkaar feedback geven of echte vragen stellen, is een belangrijke fase in dit proces.

Als het groepje het gezamenlijke onderzoek heeft afgerond, kunnen ze dat aan anderen presenteren. Dit vraagt om een vorm die interessant is en positief de aandacht trekt. Natuurlijk kan dit met een powerpoint, maar er kan nog zoveel meer! Bovendien is het belangrijk dat ze hun publiek ook iets laten merken van de verwondering of de nieuwsgierigheid die ze zelf hadden toen ze begonnen. Stimuleer de leerlingen daarom hun presentatie nooit te beginnen met de gevonden antwoorden en conclusies, maar met het laten ervaren van het probleem en hun eigen vragen daarbij.

Toepassen

De leerlingen hebben iets ontdekt, iets gevonden, iets toegevoegd aan wat ze al wisten en konden. Nu moeten ze dat ook gaan gebruiken. Dat kan als iets aparts, geïsoleerd van andere aspecten of situaties, maar dat maakt het dikwijls niet functioneel.
In veel gevallen zullen ze daarom die toepassing moeten vinden in mogelijkheden binnen de context van andere thema’s, domeinen of vakken. Taal leer je tenslotte voor buiten de taallessen...                      

Uitbreiden

Ten slotte blijft er nog een ding over: nog meer onderzoek doen… Die uitbreiding kan zitten in een groter onderzoek, maar ook in toepassingen van wat al gevonden is. 
Groter onderzoek kan betekenen dat ze gaan kijken naar meer aspecten. Ook kunnen ze een klein onderzoek op meer momenten of in verschillende situaties herhalen. Zo kan men ervoor kiezen te gaan samenwerken met anderen: onderzoekers dichtbij of meer onderzoekers ver weg. Dat kan bv. door contacten te leggen met andere groepen in je eigen school of met groepen in andere scholen, eventueel ook in het buitenland. Zulke contacten bieden dan mogelijkheden om de resultaten in verschillende omstandigheden te vergelijken.

Uitbreiding zoeken door verschillende toepassingen te onderzoeken kan bijvoorbeeld door het vakoverstijgend aan te pakken of na te laten gaan wat de invloed is bij verschillende leeftijden.

Opbellen
E-mail
Info