Het Taallab

uitdagende taalactiviteiten voor basisonderwijs

Onderzoek doen.

Onderzoek doe je -als het goed is- vooral om je nieuwsgierigheid te bevredigen. Daardoor doe je het min of meer in een vaste, logische volgorde, maar wel als een cyclische activiteit. Herhaling en uitbreiding leiden tot 'voortschrijdend inzicht'. Het ene onderzoek leidt daardoor dikwijls vanzelf weer tot een volgend onderzoek. De stappen die leerlingen (kunnen) benutten bij hun onderzoek naar taal en taalgebruik zijn te onderscheiden in de volgende aspecten.

Problematiseren

Iets wat op het eerste gezicht (of gehoor) niets bijzonders lijkt, kan door leerlingen er even bij stil te laten staan en hen zich erin te laten verdiepen, opmerkelijk, uitdagend of vermakelijk blijken. Door een argeloze vraag te stellen, of door iets meer van de achtergrond te vertellen of te laten lezen, verdwijnt al snel dat imago van ‘gewoon’.  Dit effect veroorzaken noemen we problematiseren, letterlijk: er een probleem van maken. Onderzoekers zijn immers dol op problemen, want die stimuleren tot nadenken en nieuwe hypotheses over een oplossing. Dat moeten de leerlingen ook als prettig gaan ervaren.

Oriënteren

Een korte introductie geven of zelf een eerste indruk laten opdoen, eens laten nagaan wat het is of juist niet is, of eens laten bedenken wanneer mensen deze uitdrukking zullen gebruiken, het zijn voorbeelden van de belangrijke startfase oriënteren. Hiermee kunnen leerlingen een eerste indruk krijgen van het probleem, het onderwerp wat in kaart brengen en ook afbakenen wat er nog wel en wat niet meer erbij hoort.

Onderzoeken

Systematisch nagaan wat er aan de hand is, wat het effect kan zijn, wat er het meest gebruikt wordt, welke varianten er mogelijk zijn of in welke situaties men een bepaalde taaluiting gebruikt zijn voorbeelden van onderzoek. Essentieel is de planmatigheid, want de onderzoeker moet juist het toeval proberen uit te sluiten.
Ook een onderzoek door leerlingen begint daarom met een hypothese: ze hebben op basis van wat ze zelf weten, of van wat ze hebben gevonden in bronnen, al een beeld van wat ze kunnen tegenkomen of welk effect ze kunnen verwachten. Het doel van het onderzoek is dan om na te gaan of die hypothese klopt of niet. 
Daarbij is het gericht zijn op valide conclusies (d.w.z. conclusies die echt gaan over de vraag waarmee ze begonnen) belangrijk: wat weten ze nu, als ze dit onderzoek hebben uitgevoerd? Kunnen ze hiermee inderdaad een conclusie trekken of blijven er dan nog allerlei andere oorzaken of gevolgen mogelijk?

Opzoeken

Veel vragen waarmee leerlingen starten, blijken dikwijls opzoekvragen en geen onderzoekbare vragen. De antwoorden staan al ergens, iemand anders heeft het al uitgezocht of uitgeprobeerd. Nu is het een kwestie van terugvinden. Soms is het juist goed om bepaalde begrippen of afspraken eerst eens op te zoeken. Daarmee verzamelen leerlingen informatie die ze nodig hebben om daarna hun onderzoek goed op te zetten.
Vragen die beginnen met ‘Wat is…?’ ‘Wanneer was ..?’ of ‘Hoe heet…?’ zijn meestal opzoekvragen, want het zijn heel gesloten vragen, waarvan het antwoord al vast staat. Onderzoeksvragen of liever: onderzoekbare vragen, zijn juist meestal open, doordat vooraf het antwoord nog niet bekend is.

Uitproberen

Soms weten leerlingen dat iets kan en zelfs hoe, of hebben ze ontdekt dat er een bepaald effect door ontstaat. De volgende vraag is dan nog of zij dat zelf ook kunnen. Daar komen ze alleen achter als ze het gaan doen, voorzichtig en aarzelend, maar toch. Zij doen het dan wel zelf! Uitproberen kan zo onderdeel zijn van een onderzoek, maar ook direct volgen op een onderzoek. In dit laatste geval proberen ze dan uit wat ze met hun conclusies hebben vastgesteld.

Eigen maken

Als ze hebben ontdekt dat ze in principe iets kunnen, ze weten hoe het werkt en waarop zij moet letten, dan kunnen ze vervolgens ook gaan zorgen dat het routine wordt. Dit is een kwestie van vaak doen en leren van hun ervaringen. Niet elk onderwerp leent zich natuurlijk voor toevoeging aan de eigen vaardigheid

Presenteren

Anderen deelgenoot maken van wat ze hebben ontdekt, wat ze hebben bedacht en wat ze hebben geleerd daarvan, vraagt om een vorm die interessant is en positief de aandacht trekt. Natuurlijk kan dit met een powerpoint, maar er kan nog zoveel meer! Bovendien is het belangrijk dat ze hun publiek ook iets laten merken van de verwondering of de nieuwsgierigheid die ze zelf hadden toen ze begonnen. Stimuleer de leerlingen daarom hun presentatie nooit te beginnen met de gevonden antwoorden en conclusies, maar met het laten ervaren van het probleem en hun vragen daarbij.

Toepassen

De leerlingen hebben iets ontdekt, iets gevonden, iets toegevoegd aan wat ze al wisten en konden. Nu moeten ze dat ook gaan gebruiken. Dat kan als iets aparts, geïsoleerd van andere aspecten of situaties. In veel meer gevallen zullen ze die toepassing moeten vinden in mogelijkheden binnen de context van andere thema’s, domeinen of vakken.                      

Uitbreiden

Tenslotte blijft er nog een ding over: nog meer onderzoek doen… Die uitbreiding kan zitten in een groter onderzoek, maar ook in toepassingen van wat al gevonden is. 
Groter onderzoek kan betekenen dat ze gaan kijken naar meer aspecten. Ook kunnen ze een klein onderzoek op meer momenten of in verschillende situaties herhalen. Zo kan men ervoor kiezen te gaan samenwerken met anderen: onderzoekers dichtbij of meer onderzoekers ver weg. Dat kan bv. door contacten te leggen met andere groepen in je eigen school of met groepen in andere scholen, eventueel ook in het buitenland. Zulke contacten bieden dan mogelijkheden om de resultaten in verschillende omstandigheden te vergelijken.

Uitbreiding zoeken door verschillende toepassingen te onderzoeken kan bijvoorbeeld door het vakoverstijgend aan te pakken of na te laten gaan wat de invloed is van verschillende leeftijden.