Het Taallab

uitdagende taalactiviteiten voor basisonderwijs

Het effect van taal.

Dit deel gaat over wat taal teweeg brengt. Dat kan gaan over misverstanden, over pesten, over gevoelens die je met taal kan oproepen of veroorzaken. 

Het gaat ook over verschillende manieren waarop je hetzelfde kunt zeggen. Want waarom krijgt zij dat wel voor elkaar en zij niet? Waarom krijgt de een respect voor wat hij zegt en wordt een ander uitgelachen, terwijl hij hetzelfde bedoelt?

Bij onderzoek naar het effect van taal kijken we ook naar boeken en andere teksten. Wat maakt dat je van deze schrijver steeds meer wilt lezen en van die andere niet? 

En verder is het natuurlijk heel aardig om zelf op allerlei manieren uit te proberen welke effecten jij voor elkaar kunt krijgen met jouw taal!

Woorden roepen emoties op

De woorden van iemand kunnen anderen aan het lachen maken, aan het huilen brengen of boos laten worden. Woorden kunnen emoties bij anderen veroorzaken. Hoe kan dat?

Zijn het echt alleen die woorden, of is er meer?

Zoek eens naar concrete voorbeelden, dat iemand ging lachen, verdrietig of boos werd of andere gevoelens liet merken, doordat iemand anders wat zei. 

Kan dat ook gebeuren doordat iemand juist niets zegt?

Onderzoek eens wat een komiek / cabaretier (bv. iemand als André van Duin) zegt, waarna het publiek gaat lachen. Wat maakt dan dat zij gaan lachen? Wat is dan 'grappig', waardoor is het daar op dat moment 'grappig'?

Zou dat ook gebeuren als die tekst niet door deze persoon werd gezegd, maar door iemand anders, bv. een van je buren? Of als het werd gezegd op een heel ander moment en/of plaats?

Zou je hetzelfde effect merken als de toeschouwers de tekst alleen zouden mogen lezen, in plaats van die te horen? Probeer dat eens uit!

Dat moet je ook lezen!

Soms lees je een boek, dat je verschrikkelijk goed vindt. Als het spannend is, wil je het liefst achter elkaar doorlezen, om te weten hoe het afloopt. Als het grappig is, wil je misschien steeds stukjes voorlezen aan anderen. Wat maakt zo'n boek nu zo bijzonder? Veel boeken zijn 'best aardig', maar als je ze uit hebt, ben je ze ook weer snel vergeten. Maar af en toe tref je het en lees je boeken die helemaal 'met je meegaan' en die je misschien wel voor een tweede keer wilt lezen. 
Als jij ook zo'n boek kent, ga dan eens onderzoeken wat dit boek zo anders maakt.
 

Bedenk een paar onderzoekbare vragen, waarmee je antwoord kunt krijgen op deze vraag.
Maak ook een vergelijking met een of twee andere boeken, die jij juist niet bijzonder vond.

Beschrijf duidelijk wat je conclusies zijn.
Maak op basis daarvan ook een lijstje met tips voor schrijvers: hoe maak je een BIJZONDER boek? 
Misschien kan je die tips nog even voorleggen aan de schrijver van jouw favoriete boek? Zou hij/zij het daarmee eens zijn?

Naar de bekende weg 

Misschien heb je weleens aan iemand de weg gevraagd, of heeft iemand aan jou de weg gevraagd. Het  is soms best lastig om zo'n route duidelijk uit te leggen. Ook maakt het vaak verschil of je die route moet lopen, of met de fiets of een auto moet rijden.
Eerst even zelf proberen: laat iemand uit je groep aan jou de weg vragen naar een adres in de omgeving van de school. Neem als dat kan je uitleg op, zodat je het daarna samen kunt terughoren. Hoe duidelijk was je? Snapte de ander hoe de route ging? Doe het nog een keer met een andere bestemming en draai ook de rollen om. Is duidelijk wat een routebeschrijving lastig maakt? Wat gebruik je als herkenningspunten? Deed je maatje dat met dezelfde 'dingen' (gebouwen, borden, enz.)

Ga dan een onderzoekje doen. Interview ten minste tien medeleerlingen en laat ze beschrijven hoe ze lopen of rijden van school naar huis. Neem die beschrijvingen weer op. Let vooral op welke herkenningspunten ze gebruiken als ze van richting veranderen. Let er ook op hoe ze die punten noemen. 
Vergelijk die routebeschrijvingen en noteer de verschillen en overeenkomsten. Wat doet (bijna) iedereen? Wat maakt dat je een van die beschrijvingen het beste vindt? 

Kijk ook eens hoe de mensen in dit filmpje dat doen!
https://www.youtube.com/watch?v=xFbBHU92XKE 

Maak op basis van je bevindingen een lijstje met tips voor als iemand je de weg vraagt.

Naar de bekende weg (2)

Een bekende cabaretier vertelde in een van zijn voorstellingen dat een man hem de weg vroeg naar de Emmalaan. Toen hij antwoordde dat hij die niet wist, zei de man: "Oh, maar ik wel: dan moet u die straat uitlopen en aan het eind tweemaal linksaf!". Dat is een reactie die je niet verwacht. 

Veel gesprekjes verlopen namelijk precies zoals je verwacht. Misschien luister je niet eens naar het antwoord op je vraag.
Neem de vraag "Hoe was het op school?" (of een variant daarop). Verzin op deze vraag een verrassend antwoord en probeer dat, als je de kans krijgt, eens uit. Heeft dat antwoord effect op de ander? Zo ja, welk dan?

Verzamel nog meer van die standaardvragen, die op school, thuis of op andere plekken waar je komt gebruikt worden. Bedenk bij elke vraag  antwoorden die de vragensteller niet verwacht. Probeer die uit en let op het effect.

Kan je nu een conclusie trekken over het soort reacties dat je krijgt? Maakt het uit of het serieus klinkt of alleen maar een gek antwoord is?

Schrijf een verhaal waarin je dit soort gesprekjes laat voorkomen. Probeer vooral ook het effect van die verrassing in je verhaal te beschrijven.
 

Peuters weten het al

Je hebt vast weleens gehoord dat heel jonge kinderen, die nog niet naar school gaan, soms heel korte zinnen gebruiken. Dat lijkt primitief, maar ze gebruiken wel precies de woorden die belangrijk zijn. Je snapt meestal precies wat ze bedoelen. In de 'peuterzin' ik jarig is helemaal duidelijk wat wordt bedoeld. Ook in een zinnetje als papa sturen lijkt er ook geen misverstand mogelijk. Probeer nu eens zulke zinnetjes te bedenken of gebruik de voorbeelden hieronder. 

peuterzinnen.pdf (166.66KB)
peuterzinnen.pdf (166.66KB)

De bedoeling is dat je samen met een maatje deze kaartjes uitknipt en sorteert onder de kopjes doen en zijn, die je ook daarbij ziet staan

Als dat is gelukt moeten jullie samen eens proberen te bedenken wie er wat doet of wie wat is. Kun je van die peuterzinnen complete zinnen maken, dus met meer woorden, maar wel met dezelfde betekenis?

Het gezegde maakt het verschil

We hebben in onze taal twee soorten gezegdes. Het ene beschrijft wat het onderwerp van de zin doet, het andere beschrijft hoe het onderwerp is. Je zou die twee typen kunnen benoemen als 'doen' en 'zijn'. 

In de zin Het was de vierde Troonrede die koning Willem-Alexander deze week uitsprak staat het doen van de koning centraal. Dit citaat uit NRC suggereert zelfs dat de koning het die week erg druk had. De boodschap ging eigenlijk niet over de koning, maar over de Troonrede. 

Door die wat omslachtige constructie  'het was de vierde troonrede' is het betekenisloze 'het' ook nog eens onderwerp van die bijzin geworden. Dat bevordert nog meer dat de nadruk op die sprekende koning komt te liggen.
Het zou duidelijker en juister zijn geweest als de zin gewoon met 'de Troonrede' was begonnen: De Troonrede, die de koning deze week uitsprak, was alweer zijn vierde. Wil je toch een doenzin, dan kan dat heel simpel: Koning Willem-Alexander sprak zijn vierde Troonrede uit deze week. Zo is een hoofdzin genoeg.

In de oorspronkelijke zin heeft 'het was de vierde Troonrede' de rol van lijdend voorwerp in de zin 'die koning Willem-Alexander uitsprak'. Op deze manier zijn er drie aanduidingen van 'Troonrede': 'het', 'de vierde Troonrede' en 'die'. De hoofdzin is een doenzin en beschrijft het doen van de koning.
In het alternatief is dat anders. Daar is 'de Troonrede' het onderwerp van de hoofdzin, en die zin is een zijnzin, want die noemt een kenmerk van het onderwerp.

De volgorde van de zinsdelen en de manier waarop ze met elkaar verbonden zijn, bepalen blijkbaar de betekenis. In de voorbeelden zorgt het eerst noemen van 'deze week' ervoor dat het lijkt alsof ze alle vier in die week werden uitgesproken. Die volgorde bepaalt het accent en dat verandert de betekenis.

Door erop te letten of de zin die je maakt een zijnzin of een doenzin is, kun je ook nagaan of wat je belangrijk vindt ook echt de nadruk krijgt.

Bedenk eens een paar zinnen en ga daarmee variëren. Maak van een zijnzin een doenzin een omgekeerd. Verander de volgorde van de woorden en ga na of de betekenis van die zin dan duidelijker of juist minder duidelijk is.
Doe dit soort onderzoekjes samen met een of twee anderen en vergelijk steeds jullie zinnen. Is wat jij 'duidelijk' vindt ook zo duidelijk voor die anderen?
Wat is het effect van het veranderen van een doenzin in een zijnzin? Heeft die keuze ook effect op de sfeer in je verhaal? Wordt het op de ene of de andere manier leuker of spannender?  


 

Er volgt meer!