Het Taallab

uitdagende taalactiviteiten voor basisonderwijs

De vorm van taal.

Taalgebruik heeft vaak een voorspelbare vorm. Die vorm heeft te maken met wat je ermee wilt en wie die taal waar gebruikt. Als de Koning de Troonrede voorleest, verwacht je een bepaalde vorm. Je zou schrikken als hij begon met "Lieve vrienden en vriendinnen, ik heb vet nieuws voor jullie: de crisis is pleite!".  

Zo gaat het op school ook. Zodra je aan je leraar gewend bent, verwacht je dat die de lessen op een bepaalde manier begint, en op een bepaalde manier reageert als iets goed gaat of juist niet. 

Schriftelijke teksten hebben ook vaste vormen, zoals hoofdstukken, alinea's, titels. Een verhaal heeft een andere vorm dan een informatieve tekst en die is weer anders dan een recept of een advertentie. Aan die vormen herken je vaak het soort tekst. Soms probeert men je daarmee juist te foppen. Dan schrijft een bedrijf een advertentie die er uitziet als een artikel. Hoe dat zit is een van de onderwerpen die je bij dit thema kunt onderzoeken.  

Gedichten hebben vaak ook een bepaalde vorm. Het aantal regels, het aantal coupletten, de manier van rijmen of juist het ontbreken van rijm, en niet te vergeten het ritme (metrum), het zijn allemaal manieren waarop dichters spelen met vormen. Wat maakt dat zij zoveel moeite doen om de vorm van hun gedicht te laten kloppen en doen anderen juist moeite om vooral geen bekende vorm aan hun gedicht te geven?

Zou 'vorm' echt uitmaken voor de taal: kun je die vorm weglaten en kun je taal zonder zo'n vaste vorm gebruiken?

Gebiedende wijs (1)

‘Gebieden’ is net zoiets als ‘bevelen’. Een gebod lijkt op een bevel: iemand zegt dat je iets moet doen of juist laten. Als iemand tegen je zegt: “Ga recht op je stoel zitten!” is dat niet een vriendelijk verzoek maar een dringende aansporing… Je moet dat echt wel doen, anders…

Wie zo spreekt gebruikt taal in een vorm die ‘de gebiedende wijs’ wordt genoemd. Wat ‘gebiedend’ betekent snap je nu wel, maar ‘wijs’ is hier een beetje raar woord. Je kent het in de betekenis ‘verstandig’ of ‘melodie’, maar dat is het hier niet. Het komt van ‘wijze’ en dat betekent hier ‘manier’. Je spreekt dan dus op een gebiedende manier en dat betekent eigenlijk dat je een bevel geeft.

Probeer maar eens of je je een paar zinnen kunt herinneren waarin iemand jou zo zei wat je moest doen.

Zulke zinnen beginnen altijd met een werkwoord. Het kan zowel een doenzin (“Raap die jas op!”) zijn als een zijnzin (“Wees stil!”). Het zijn bijna altijd zinnen waar een uitroepteken achter past. Niet omdat het geroepen wordt, maar wel omdat het met nadruk gezegd (of ‘gesist’) wordt.

In welke situaties zou het prima passen als jij zo tegen iemand sprak? Tegen wie kan dat wel en tegen wie kan dat zeker niet, vind jij? Vinden je groepsgenoten dat ook? En wat zouden ze thuis daarvan vinden?

Kun je diezelfde zinnen zo veranderen dat ze juist heel vriendelijk klinken? Wanneer zou je het zo formuleren?

Gebiedende wijs (2)

Diezelfde vorm komt ook in andere situaties voor. Dan is er geen sprake van een gebod, maar van een advies. Als iemand tegen je zegt: “Vraag, als het nodig is, je buur maar even om hulp”, dan is de vorm hetzelfde. Maar toch kun je dit geen gebod noemen. Het is een goede raad, een aanbeveling, maar geen bevel…

Verzamel met een maatje of je tafelgroepje eens meer van zulke zinnen. Het gaat dus om zinnen waarin de vorm hetzelfde is als bij de gebiedende wijs, maar waarin niet een gebod gegeven wordt, maar een goede raad. Verzin dan steeds een verhaaltje van een paar zinnen erbij, zodat je laat horen in welke situatie iemand deze vorm gebruikt.

Gebiedende wijs (3)

Probeer of je samen zulke situaties kunt uitbeelden. Speel bijvoorbeeld na(ast) elkaar een echte gebiedende wijs en een vriendelijke formulering of een goede raad, die net zulke woorden gebruikt, maar veel vriendelijker klinkt. Je kunt dit nog duidelijker maken door het een beetje te overdrijven. 

Ook kun je de situaties waarin zo’n zin zou passen, expres verwisselen, waardoor je een vreemd effect krijgt. Denk aan een commandant die tegen een groep soldaten zegt: “Ga nu maar even lekker ontspannen staan” in plaats van “Op de plaats! Rust!”  

Men neme...

Heb je wel eens in een kookboek gelezen? In zo'n boek staan recepten. Ook in veel kranten staat elke dag of elk weekend een recept. In oude recepten kwam vaak het zinnetje voor 'Men neme...' en dan volgde wat je allemaal moest doen met de ingrediënten (de dingen waarvan je het gerecht maakt).

Om een spiegelei te maken stond er dan:
Men neme een klontje boter of een eetlepel olie en verwarm die in een koekenpan.
Dan neme men twee eieren, die men een voor een op de rand van de pan stuk tikt, om de inhoud in het warme vet te laten lopen
. Enzovoort. 

Zoek een of meer kookboeken en vergelijk de manier waarop daarin de recepten beschreven staan.
Behalve een opsomming van die ingrediënten (wat) zie je ook allerlei maten staan (hoeveel). Soms zijn dat grammen, maar vaak staat er el (eetlepel) of tl (theelepel). Wat dacht je van 'een snufje zout'? Hoeveel zou dat zijn?
Ook staat in een recept precies beschreven wat je achter elkaar moet doen: wat moet bij elkaar en wat juist apart. 
 

Je gaat nu zelf recepten schrijven. 

a. Bedenk een recept waarin allemaal dingen gaan die jij heel lekker vindt. Neem niet een bestaand recept, maar fantaseer zelf wat je met al dat lekkers zou kunnen doen. Bedenk er ook een naam voor!
Zou het uitvoerbaar zijn?

b. Maak een tekst die er helemaal uitziet als een echt recept, maar die over iets heel anders gaat dan eten of drinken. Je mag zelf bedenken wat, als je maar zorgt dat de vorm helemaal lijkt op een echt recept. 

Misschien kan je met een maatje wel een serie van zulke recepten (variant a of variant b) maken en daarmee een 'kookboek' samenstellen.

Een prettige dag nog! 

Als je wel eens in een supermarkt komt, heb je dit zinnetje vast wel eens gehoord. Als je betaald hebt, zegt de man of vrouw bij de kassa dat als afscheid. Zo zijn er nog een heleboel vaste zinnetjes die bij een kassa kunt horen. Verzamel eens zoveel mogelijk van zulke zinnetjes, die klinken in winkels. Dan kan door zelf goed te luisteren, maar ook door aan anderen (thuis) te vragen wat zij regelmatig horen. 

Ook andere beroepen hebben van die standaardzinnetjes. Denk maar aan de leraren op school, de presentatoren van het journaal en van het weerbericht, de tv- en radiopresentatoren, maar ook de dokter of de tandarts, en bedenk er zelf nog meer. Wat zijn hun zinnen?

Mensen (familie, vrienden of buren) die elkaar tegenkomen, die op visite komen, die elkaar begroeten of afscheid nemen, zeggen in al die situaties vaak hetzelfde tegen elkaar. Wat hoor je dan? Wie zegt altijd "Wat ben jij groot geworden!"? Ook de toon waarop ze het zeggen hoort bij zo'n moment...

Maak met al die zinnen die je hebt verzameld een quiz: wie zegt dit op welk moment? Bedenk een manier waarop je die uitspraken op een aantrekkelijke (en herkenbare!) manier kunt presenteren. Maak ook spelregels waarmee teams uit je klas punten kunnen verdienen.

Bedenk voor de mevrouw bij de kassa van de supermarkt eens een paar nieuwe zinnen, zoals jij die graag zou horen als je daar komt.

Woorden tekort

Ik zie soms iets, dat zo verschrikkelijk mooi of juist zo afschuwelijk lelijk is, dat ik het niet goed kan omschrijven voor iemand anders. Dat heb ik ook wel, als ik over iets heel enthousiast ben of me daar vreselijk aan erger of me juist heel erg blij voel. Ken je dat? Het is dan net of ik niet genoeg woorden heb daarvoor.
Daarom is het handig als je heel veel woorden kent. Woorden die bijna hetzelfde betekenen, maar toch net iets anders zeggen. Zo zijn heel veel manier om te beschrijven hoe rood iets is, of hoe zoet. Probeer maar eens en bedenk dan steeds daarbij wat het verschil is met de vorige manieren. Voor welke dingen gebruik je de ene omschrijving wel, maar de andere juist nooit. Waardoor zou dat komen?

Bedenk zelf eens een onderwerp, een voorwerp of een gevoel en vraag aan mensen om je heen hoe zij dat het best omschrijven.
Maak een overzicht van alle variaties, met illustraties als dat kan of met zinnen die daarbij passen.

Dit is een onderwerp dat je op verschillende momenten kunt laten terugkomen, maar dan met een andere inhoud.

Is dat een gedicht?

Waaraan herken je een gedicht?
Wat maakt dat je een gedicht kunt onderscheiden van een verhaal?
Wat doe je als je hebt besloten: "Nu ga ik een gedicht maken"?

Als je dat hebt opgeschreven en nog eens nagelezen of het allemaal klopt, pak je er een boek met gedichten bij. Doe dat gelijk goed en neem het dikke (1040 bladzijden!) boek van Gerrit Komrij: De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Grote kans dat dit boek bij jullie op school staat.

Ga dan maar eens bladeren en probeer gedichten te vinden die precies laten zien wat jij als kenmerken hebt opgeschreven. Kies bij elk kenmerk twee voorbeelden uit die jij mooi vindt.

Staan er ook gedichten in die niet kloppen met wat jij als kenmerken had bedacht? Welk kenmerk mist dat gedicht dan en wat is het effect daarvan? Heeft het dan een ander kenmerk?

Maak van twee gedichten een poster, waarop je zo'n kenmerk op een mooie manier duidelijk maakt. 

Anders dan je verwacht

In een gedicht speelt de dichter soms met wat je verwacht, omdat je dat gewend bent. De tekst begint dan bekend, maar gaat dan ineens anders verder. In het boek De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten, staan verschillende mooie voorbeelden van zulke gedichten.

Ditmaal ga je kijken naar vier gedichten van Cees Buddingh' (spreek zijn voornaam uit als [sees] en vergeet de komma achteraan niet...!). Je vindt ze op de bladzijden 612 en 613

Lees ze heel precies en probeer te ontdekken wat deze dichter doet om jou een beetje in de war te brengen. Wat voor effect bereikt hij daarmee bij jou als lezer: wat vind jij van deze gedichten?
Welke zou je wel uit je hoofd willen leren of anderen voorlezen? Waarom juist die? 

Misschien heeft hij je op een idee gebracht en durf je nu zelf ook wel een gedicht schrijven, een beetje in deze stijl van Cees Buddingh'! Doen!! 

Volgorde (1)

Bekijk in de volgende tekst wat er gebeurt met het woord alleen.

Waardoor kan dit met dit woord?
Zou dit ook met andere woorden uit die zin kunnen?
Kan je dat verklaren?
Zijn er ook woorden in een zin die je niet in hun eentje kunt verplaatsen? Hoe zit dat dan?

Bedenk een paar zinnen en probeer uit hoe verplaatsbaar de woorden daarin zijn.

Formuleer een paar 'regels' voor de verplaatsbaarheid van woorden in een zin: wanneer wel/niet; welke wel/niet.

Zoek in je biebboek een paar willekeurige zinnen (ogen dicht en prikken...) en probeer daarin of de regels, die je
                                                          hebt bedacht, kloppen. 

Als je tevreden bent over de geformuleerde regels (doordat ze blijken te kloppen), maak je een overzicht van jouw 'regels voor verplaatsbaarheid van woorden in een zin', met bij elke regel twee duidelijke voorbeelden.

Volgorde (2)

Als je iets heel precies wilt beschrijven, kun je verschillende 'bijvoeglijke naamwoorden' combineren.

Bijvoorbeeld: een houten, bruine, hoge, oude, lelijke kast.

Toch zal niemand dit zo, in deze volgorde, zeggen. Wie meer dan één bijvoeglijk naamwoord gebruikt, houdt zich aan een bepaalde volgorde. Maar, wat is die volgorde?
 

Zoek eens uit welke volgorde van bijvoeglijke naamwoorden gebruikelijk is.

Test dat op andere voorbeelden met een rijtje bijvoeglijke naamwoorden. Klopt wat je dacht?

Schrijf die bijvoeglijke naamwoorden op losse kaartjes en laat anderen die woorden op volgorde leggen. Doen zij het op dezelfde manier als jij? Kunnen zij ook uitleggen waarom zij het zo doen?
 

Formuleer een 'regel' voor de volgorde van bijvoeglijke naamwoorden. Benoem welke het dichtst bij het zelfstandig naamwoord staan, welke het verst er vandaan, enzovoort.

Test die regel uit bij anderen, met eigen voorbeelden en met de woordkaartjes . Klopt het?

De functie van de delen van een zin

De woorden en woordgroepen in een zin hebben allemaal een eigen functie voor de betekenis van die zin. Dat wist je natuurlijk al. Toch is het misschien leuk om te weten dat taalkundigen aan universiteiten naar zoiets ook onderzoek doen. Zo heeft de Nijmeegse taalprofessor Coppen gevonden dat er eigenlijk maar drie functies in een zin te verdelen zijn.
1. Er zijn zinsdelen die hij de deelnemers of spelers noemt. Zij spelen
    de hoofdrol en de bijrollen in een zin. 
2. Daarnaast zijn er zinsdelen die beschrijven wat die spelers doen of      
    meemaken, en er zijn zinsdelen die een kenmerk van de hoofdrolspeler(s)
    beschrijven. Dan gaat het niet om wat ze doen, maar hoe ze zijn.
3. Tenslotte zijn er zinsdelen die de omstandigheden beschrijven. Daarvan zijn
    er twee soorten. 
    a. De ene soort beschrijft het decor van wat er gebeurt: waar, wanneer, hoe        
         lang, hoe vaak, hoeveel, waarheen, enzovoort.
    b. De andere soort beschrijft het drama in de zin: wat is de reden, de    
        oorzaak, het gevolg, het doel, het middel, het waarom of waartoe,
        enzovoort.    

Met deze indeling kun je de functie van alle delen (woorden en woordgroepen) in een zin herkennen.

Onderzoek zelf maar eens of deze indeling klopt bij elke zin. Dat zou je zo kunnen doen:
a. bedenk zelf (samen met een maatje) een paar 'mooie' zinnen;
b. zoek in je leesboek een paar zinnen die je mooi vond .
Onderzoek dan bij elke zin of je alle woorden en woordgroepen (zinsdelen) kunt indelen bij 1, 2, 3a of 3b.
Zou je je eigen zinnen nog mooier kunnen maken met wat meer decor of drama? 

Werkwoorden - en de rollen die daarbij horen -

Heb je wel eens goed naar werkwoorden gekeken of geluisterd. Taalkundigen deden dat wel. Zij vroegen zich af of je werkwoorden ook op een logische manier kunt indelen. En ja, dat bleek te lukken.

1. Werkwoorden met maar één speler.  Voorbeeld: slapen       - ik slaap

2. Werkwoorden met twee spelers.       Voorbeeld: verzorgen  - hij verzorgt zijn |                                                                                             zieke moeder

3. Werkwoorden met drie spelers.         Voorbeeld: geven       - zij gaf mij een
                                                                                               klein pakje

Let op: deze zinsdelen met de rol van speler in een zin, beginnen niet met een voorzetsel. Als een zinsdeel wel met een voorzetsel begint, dat je ook gewoon kunt weglaten, dan telt dat zinsdeel ook. 

Voorbeeld: 

Gisteren gaf | ik | aan haar | een lolly|. > Gisteren gaf | ik | haar | een lolly|.
                         1         3               2                                        1      3           2

Verzamel nu zelf eens twintig, heel verschillende werkwoorden en probeer daarmee zinnen te maken, waarin je één, twee of die spelers een rol geeft. Heb je van alledrie de soorten evenveel voorbeelden? Is dat toeval of niet?

-----

Als je nog meer wilt onderzoeken, dan kun je ook nog een vierde soort speler gaan uitproberen.
Er zijn namelijk werkwoorden die altijd hetzelfde voorzetsel gebruiken. Daarom noemen we dat een vast voorzetsel. Voorbeeld: Wij staan te wachten op de trein. Hier is 'de trein' ook een speler in de zin, maar wel met dat voorzetsel ervoor. Bij het werkwoord wachten komt steeds het voorzetsel 'op'. Maar er is wel iets raars aan de hand. Als iemand zegt "...op de trein." ben je geneigd direct omhoog te kijken: bovenop de trein. Maar in 'wachten op de trein' doe je dat wachten niet bovenop de trein! Dat voorzetsel 'op' is, zodra het een vast voorzetsel is geworden, zijn betekenis kwijt. 
Ga nu ook eens op zoek naar zulke zinsdelen die horen bij werkwoorden met een vast voorzetsel en controleer of dat voorzetsel daar ook geen betekenis meer heeft. Heeft het voorzetsel nog wel betekenis, dan kun je ook een ander voorzetsel op die plek zetten. Controleer maar of dat klopt!

Sneltaal

Je kent vast wel van die afkortingen, die je gebruikt op je telefoon. Vaak zijn daar Engelse woorden voor gebruikt, waarvan de klank dan weer met een letter of cijfer wordt weergegeven. Zo wordt het woord 'voor' verengelst tot 'for'. Dat klinkt ongeveer net als 'four' en dat betekent vier, zodat je kunt volstaan met 4.
'Jou' wordt dan 'you' en dat klinkt in het Engels net als de uitspraak van de letter 'u'. 'Voor jou' wordt dan '4U'. 

Ga eens op zoek naar andere voorbeelden van wat je sneltaal zou kunnen noemen. Bevraag klasgenoten, kijk op de social media waarvan jij gebruik maakt en maak zo een lijst met ten minste 25 handige afkortingen. Zet achter elke afkorting de uitleg van de herkomst.

Probeer zelf ook een of meer 'nieuwe' afkortingen te maken, die je ook echt vaak kunt gebruiken.

Haiku

Een haiku (lees: haaikoe) is een oude Japanse dichtvorm. Deze vorm wordt vooral gebruikt om een sfeer of een gevoel weer te geven. Vaak zijn de traditionele Japanse haiku's gekoppeld aan een seizoen. Moderne haiku's zijn vrijer in hun onderwerpkeuze. De vorm is vrij simpel: 5-7-5, waarbij die getallen het aantal klankgroepen aangeven.

vroeg hanengekraai
de nieuwe dag begint al
ik wacht nog even

Dolf Janson 

dikke huisjesslak,
ook jij beklimt de Fuji
maar langzaam, langzaam

Issa (1763-1828)

tussen haar wintermuts
en die iets te grote sjaal
twee blauwe oogjes

Luk Gybels 

Die derde regel is vaak een verrassende wending of een reactie op de eerste twee, zoals je in de voorbeelden ziet. 

Probeer zelf ook eens een paar haiku's te maken. Je hoeft niet te rijmen met klanken, maar je moet wel zorgen dat de betekenis van de zinnen met elkaar 'rijmt'. En je moet tot 7 kunnen tellen...

 

Er volgt meer!