Het Taallab

uitdagende taalactiviteiten voor basisonderwijs

De betekenis van taal.

Dit deel gaat over wat taal kan betekenen en vooral over taalgebruik waarin bijzondere woorden of opmerkelijke betekenissen voorkomen. 

De betekenis ontstaat door de woorden zelf, maar dikwijls ook door de omgeving waar of de manier waarop iemand die woorden gebruikt.

Wat ook heel interessant is om te onderzoeken is hoe lezers of luisteraars zelf betekenis geven aan taal die ze lezen of horen. Is dat de betekenis die de schrijver of spreker ook bedoelde? Waardoor ontstaan soms zulke verschillen tussen bedoeling en interpretatie?  

Oh!

Kleine woordjes spelen in het Nederlands soms een bijzondere rol. Hoewel, het woordje oh komt ook voor in andere talen, zoals het Engels. Het is dus niet een kenmerk van onze taal, maar van de manier waarop mensen met elkaar praten.

Je hoort in 'oh' eigenlijk maar één lange klinker [oo], en die schrijf je hier met één letter o, maar dan wel met de letter h erachter. Heel apart!
Het bijzondere van dat woordje is ook nog, dat het soms in zijn eentje de hele zin vormt. Kijk maar naar dit voorbeeld:
 

A:      “Eet je altijd vier boterhammen?’
B:      “Nee, meestal meer, maar het brood was op.”

A:      “Oh!” 

 

Dat ‘Oh’ als zin, is meestal een reactie op iets. Op iets dat je ziet of hoort of op iets dat een ander zegt.  

Probeer nu zelf eens minstens drie situaties te bedenken, waarin het genoeg is dat je alleen maar “Oh” zegt.

Let er bij die voorbeelden die hebt gevonden eens op hoe je dat oh uitspreekt. Gaat je stem omhoog of juist naar beneden, of eerst even omhoog en dan direct weer naar beneden. Dat komt allemaal voor en geeft betekenis aan dat ene woordje. Kun je ontdekken welke betekenissen ontstaan door de manier waarop je het uitspreekt?

Dat leuke woordje gebruiken we niet alleen los. Vaak combineer je het met een ander woord, zoals “Oh ja” of “Oh nee!”. Probeer ook daarvan weer voorbeelden te verzamelen, ook in de combinatie met nog andere woorden.
Ook dan kun je dat 'oh' weer op verschillende manieren uitspreken, waardoor je verschillende betekenissen aan die combinatie met dat woordje oh geeft.

Probeer met je groepje zoveel mogelijk variaties te vinden en presenteer die op de juiste toon aan de anderen. 

Overtreffen

Als je gaat hoogspringen begin je al lekker hoog, maar daarna gaat het steeds hoger en tenslotte is er een uit de groep die het hoogst springt.

Die woorden hoog, hoger en hoogst zou je op een trapje kunnen zetten:

                                                                                   hoogst

                                                               hoger

                                       hoog

Daarom noemt men dat tweede en derde woord de vergrotende en de overtreffende trap van hoog.

Bedenk zelf ook eens een paar van zulke drietallen.

Bij sportwedstrijden gaat het vaak over vragen als ‘Wie is de beste?’ of ‘Wie is beter?’. Met welk woord begint dat trapje dan?

Je hoeft dus helemaal niet steeds hetzelfde woord te gebruiken met -er en -st erachter. Het kunnen zelfs heel verschillende woorden zijn, zonder -er of -st erachter.

Probeer eens een serie van drie heel verschillende woorden te vinden, die toch op zo’n trapje gezet kunnen worden.

Tip om te beginnen: denk eens aan je lievelingseten… 

Klopt dit voorzetsel wel?

"Drink dit maar eens: citroensap! Dat is goed voor de dorst!" 

Misschien heb je dat ook wel eens horen zeggen: goed voor de dorst.
Is dat niet een beetje rare zin: iets is toch goed tegen de dorst?

Wat zou de oorzaak van dit woordgebruik kunnen zijn? Wat denk je zelf? 

Is er iets te vinden over de herkomst van deze uitdrukking?

Is er in het Engels, Duits of Frans ook zo'n uitdrukking hiervoor? Welk voorzetsel gebruiken ze daarin?

Zoek eens of er meer van zulke uitdrukkingen zijn, waarin het voorzetsel eigenlijk niet klopt?

Ik zie ik zie...

"Ik krijg weer zin in ijs", dacht de schaatser, terwijl hij in de stromende regen zijn fietstraining deed.

"Ik krijg weer zin in ijs", zei het meisje, toen ze in de verte een ijskarretje zag staan.

De woorden zijn gelijk, maar het plaatje dat de zinnetjes oproepen is heel verschillend. Dat verschil komt door de informatie die steeds volgt. Met een mooi woord noemen we dat 'de context'. Die context bepaalt de betekenis, in dit geval de betekenis van het woordje ijs.

Verzamel eens wat woorden of zinnen die meer betekenissen kunnen hebben en plaats die elk in een kort verhaaltje, waaruit die context blijkt.

Je kunt ook een fotostrip maken, door verschillende scenes te fotograferen (gemaakt met bv. duplo of met klasgenoten als acteurs) en daar dan steeds dezelfde tekst bij te zetten. Dan is die foto de context.

Pak je pen (1)

Als je dit op school hoort zeggen, denk jij waarschijnlijk direct aan een bepaalde pen: je eigen pen.
Jij weet precies hoe die er uitziet.
Als je aan wat oudere mensen, bijvoorbeeld je opa en oma, zou vragen, of zij dit zinnetje vroeger ook gehoord hebben, zullen zij dat vast herkennen. Maar aan wat voor pen denken zij dan?

Een woord horen en dan dat voorwerp of die plek direct voor je zien gebeurt vanzelf. Alleen wat je dan in gedachten 'ziet', kan heel verschillend zijn. Bedenk eens waardoor die verschillen kunnen ontstaan.

Kies nu een paar woorden, waarvan je verwacht dat verschillende mensen daar heel verschillende plaatjes bij zien. Probeer dat uit en probeer zo precies mogelijk te noteren waaraan die mensen dan denken. Misschien lukt het je wel om daar echte plaatjes bij te vinden. Denken de mensen die je interviewt positief of negatief over wat je noemt? Kunnen zij dat uitleggen of kan jij dat verklaren?

Maak met de resultaten van je onderzoek een aantrekkelijke presentatie. 

Pak je pen (2)

Deze titel is echt zo'n schoolzinnetje. Op andere plekken zal dit niet vaak gezegd worden. Zo zijn er heel veel zinnetjes die horen bij een bepaalde omgeving, een bepaald beroep of alleen voorkomen bij een bepaalde gebeurtenis. Daar hebben ze betekenis. Daar snapt iedereen direct wat men ermee bedoelt. Op een andere plek of op een ander moment klinkt zo'n zin ineens heel raar of heeft die zin een andere betekenis.
Voorbeeld: bij de vraag "Welke toets moet ik gebruiken?" zal de ib'er van de school aan iets heel anders denken, dan de ict'er.

Ga eens op zoek naar zulke zinnen. Zinnen die horen bij een plek of situatie. 
Vraag ook andere mensen of zij voorbeelden weten van zulke zinnen, bv. op hun werk of bij hun hobby.
 

Bedenk een presentatie waarin je die zinnen zichtbaar of hoorbaar maakt samen met de omgeving waarin ze thuis horen.

Je kunt ook precies het omgekeerde doen: woorden gebruiken die juist niet de betekenis hebben die in deze context verwacht. Cabaretiers maken hier graag gebruik van, omdat dit vaak zorgt voor een verrassend of zelfs grappig effect.

Anders lezen

Soms kan je woorden op meer dan één manier lezen. Kijk maar hoe de dichter Daan Zonderland daarmee speelt:

De Grens

Als ik een roltrap, zegt men er niets van.
Als ik een raapsteel, laat men mij vrij.
Als ik een kropsla, kraait er geen haan naar.
Maar als ik een bisschop, ben ik er bij. 

Waardoor lukt dat bij deze woorden? Ken jij meer woorden die zo in elkaar zitten?
Ga eens op onderzoek uit en verzamel er zoveel mogelijk.

Hier zijn zulke woorden in een gedichtje gebruikt. Kan jij dat ook? Zou dat in een verhaaltje ook kunnen?
Probeer dat eens uit.
Ga ook eens na of het verschil maakt of je zo'n woord aan elkaar schrijft (zoals 'kropsla'), of juist los (krop sla). Waardoor komt dat?

Bedankt!

Er zijn van die woorden die meer dan één betekenis hebben. 'Bedankt' is daarvan een voorbeeld. Als iemand tegen je zegt "Nou, bedankt hoor!' dan kan het twee betekenissen hebben. Welke?

Verzamel eens meer van zulke woorden of uitdrukkingen, die meer dan één betekenis kunnen hebben.

De vraag is dan: hoe weet je nu welke betekenis iemand bedoelt? En, omgekeerd, hoe weten anderen wat jij bedoelt?
Bedenk eens hoe je dit zou kunnen onderzoeken! Kies daarvoor in ieder geval ten minste vijf woorden of uitdrukkingen en genoeg proefpersonen. Dat is nodig om straks te weten dat het geen toeval was, wat je ontdekte.

Bedenk ook hoe je je onderzoek aan de groep presenteert. Zorg in ieder geval dat ze ook zelf even kunnen ervaren dat zulke woorden voor verwarring kunnen zorgen.

Framen [freemǝn] in de media

Je weet natuurlijk wat het frame [freem] van een fiets is. Een frame betekent ook ‘lijst’ of ‘kader’, de omlijsting van een foto of schilderij. Je zou kunnen zeggen dat een frame iets bij elkaar houdt. Daar heeft het werkwoord framen alles mee te maken. Niet letterlijk, maar wel figuurlijk. Framen is gebeurtenissen bekijken door een bepaalde bril en dat steeds blijven herhalen. Daardoor gaat het lijken alsof het echt alleen maar zo is

Pesten is vaak een vorm van framen. Iemand krijgt een bepaald etiket opgeplakt en door dit maar steeds te herhalen, lijkt het alsof alles wat die persoon zegt en doet daarmee is te verklaren.

Politici en sommige kranten en tijdschriften maken daar graag gebruik van. Let maar eens op hoe de daders van aanslagen worden genoemd en hoe het gevaar van zulke aanslagen wordt benoemd. Of let eens op de manier waarop politici tegen en over elkaar spreken in verkiezingstijd. Steeds proberen dan een bepaald etiket erop te plakken, zodat anderen gaan geloven dat dit echt zo is.

Opdracht 1: zoek op in zoveel mogelijk verschillende kranten en nieuwsuitzendingen hoe een ernstige gebeurtenis (zoals die aanslag) wordt genoemd en beschreven. Hoe wordt de ‘verdachte’ aangeduid? Is dat steeds op dezelfde manier? Merk je verschillen tussen verschillende media? Welke mening zou achter die aanduiding schuilgaan? Wat is het ‘frame’ (de bril waarmee alles verklaard wordt) in die voorbeelden?
Kijk ook eens naar de reacties op internet bij zo’n bericht? Zie je daar ook voorbeelden van framen?

Opdracht 2: Let op hoe er in jouw groep over en/of tegen leerlingen (individueel of als groepje) gesproken wordt. Is er daar sprake van framen? Wat is het frame dat anderen dan hanteren? Doe jij dat zelf ook? Waardoor komt dat? 

Hetzelfde woord (1)

Misverstanden

“Ook de toiletten van de flats, waar de sporters in Rio moeten logeren, zijn verstopt.”
“Hebben ze dan wel overal goed gezocht?”
Waardoor reageert iemand zo op die eerste zin?

Het is soms lastig als woorden verschillende betekenissen hebben.
Iemand zegt iets en je denkt te begrijpen wat die ander bedoelt.
Je herkent dan de ene betekenis, maar soms bedoelen ze dan net een heel andere.

Nog twee voorbeelden van zulke woorden:
- sporten
- boeken

Ga eens op zoek naar nog meer van zulke woorden.
Sommigen hebben zelfs meer dan twee betekenissen.
Maak met die woorden zinnen waaraan je kunt horen welke betekenis je bedoelt. 

Hetzelfde woord (2)

Een ketting rijgen...

In onderstaande zinnen wordt er steeds een woord herhaald.

Maar… is dat wel hetzelfde woord? 
Onderzoek dat eens en probeer te ontdekken welke rol die woorden in zo'n zin hebben.
Hebben die gelijke woorden ook een gelijke rol?

Kan je zelf die rij zinnen langer maken door steeds één woord opnieuw te gebruiken?

Kom je mee naar buiten?
Er zwommen drie vissen in de kom.
Wij gaan woensdagmiddag vissen in de sloot.
Opa sloot het boek toen het uit was.
Waar boek jij je vakantie?
Dat is niet waar hoor!
Niet jij die kopietjes even aan elkaar?
Het was gelukkig een even aantal.
....

Zie je het voor je?

De vakantie staat voor de deur. "Maar dan kunnen we er niet meer uit...!", zei Dennis. "Jawel, hoor", zei zijn zus, "laat hem maar binnen."

Zij ging voor hem door het vuur, zoveel hield zij van haar konijn. "Maar dan verbrandt ze helemaal en dat is toch niet leuk voor dat konijn?"

Twee gewone uitspraken van iemand, waarop een ander reageert. Wat vind je van deze reacties? Kun je je voorstellen dat iemand zo reageert als je die zin daarvoor hoort? Zou iemand ook anders kunnen reageren? Hoe dan?

Verzamel zelf ook eens zulke zinnen en bedenk op welke manieren anderen daarop zouden kunnen reageren. 

Zoek eens uit of je de woorden 'letterlijk' en 'figuurlijk' hierbij kunt gebruiken. 

Eet smakelijk!

Houd de komende week met de hele groep eens bij wat je allemaal eet. Maak er foto's van!
Schrijf er steeds bij hoe jullie dat gerecht thuis noemen en wat erin zit of waarvan je het maakt.
Maak daarna een passende indeling voor al die gerechten: wat hoort bij wat volgens jou? Je mag zelf een indeling kiezen.
Zet die indeling als duidelijke koppen op een poster en schrijf de namen van alle gerechten die je gegeten hebt eronder. Plak de foto’s die je gemaakt hebt erbij en/of maak tekeningen om het te verduidelijken. 
Als alle posters hangen, ga je met een maatje op zoek naar overeenkomsten en verschillen. 
Wat is populair? Wat heb jij zelf nog nooit gegeten?
Welke bijzondere namen heb je ontdekt? Heb je ook ontdekt waarom het zo heet? 

Richt (zo mogelijk) een (tijdelijk) restaurant in op school en bied enkele bijzondere gerechten aan. 
Denk aan een toepasselijke naam en aan de menukaart! 

Maak een kookboek met de favoriete recepten van jullie groep en geef dat uit tegen een aantrekkelijke prijs. 


Er volgt meer!